1. Le Soir
De Nacht
Kantelt
Traag de dag uit,
Een avondkleed
Rolt zich heupwiegend
Zwart over
Haar schouders
Heen.
Een vochtig
Windgordijn omhelst
Haar branding
Van borsten, entert
Zich een weg
Van onbewegen
En zeemeermint
Onherroepelijk
Vast.
In mijn gehavend
Lichaam
Meert zich
Een slapend schip
Aan. |
2. La Lune
De avond
Telt sterren,
De nacht
Ontwaakt uit
Haar dagdroom.
Een klein koppig
Meisje laat zich
Maagdelijk maan
Noemen, ze geurt
Van onder haar rokken
Van mistig satijn.
Op haar eeuwige baan
Slaapt ze haar
Witte schoonheid rond, ze
Houdt ons golvend
Voelen en vlieden
Vast. |
| |
|
3. Les Etoiles
Een bedsprei aan
Lichtjes verwarmt
De kille nacht, in een dans
Van dromen ligt de dag
Naar de zon.
Fluisterend sissen
Ze een wachtlied, een
Traag verbuigen
Van de tijd.
De sponde kantelt
Zich een wieg tot tellen,
Het oog wint zijn weg
Tot tranen. |
4. Morpheus
De slaap is zijn vader,
Zijn zoon een papaver.
Zijn armen vermommen
Een wieg, ik sluimer
Mijn verwezen sluier.
Parfum bewoont
Zijn oksels, een zweem
Van grijze haren
Zijn een baken
Vol mist.
Ik reikhals naar
Zijn waterige ogen,
Ze wenen een traag
Versleten lied. |
| |
|
5. Minuit
Mijn middernachtelijke
Vlieger gaat op, ik lig met
De wind in mijn rug,
De wind vlindert kussend haar
Aangezicht.
Het uur nul is niets,
Het trekt steeds maar verder
Open, (een touw rekt
Zich slaperig uit).
Ik vier en een trouwe boog
Slaapt in de maan,
Ze wordt steeds langer.
Ik laat los, een klok
Voelt zich één dozijn
Sterk. |
6. Hecate
Een zwarte sluier
Maakt haar zwaarder,
De heks weegt een ton aan
Gebrouwde vederen, ze drinkt me
Op.
Haar huilende honden
Blaffen een tovertaal,
De stenen worden graven,
Ik voel een geplette
Borst.
(De dag is haar onderwereld,
Ik verstrik in zonnestralen.)
Op het punt van dromen,
Braakt ze me uit. |
| |
|
7. Cauchemar
Een merrie overmeestert
Mijn nachtelijk pad en
vergaloppeert zich in
Een floerse
Nevel.
Ze vloert me onmeedogenloos
En oogt zwart-wit.
Een voile beukt mijn
Geheugen en perst vergeten
Verhalen tot bijtende teugels.
Hoeven
Slaan mij
Radeloos
Wakker. |
8. Insomnia
Hij ligt zelf
Slapeloos te waken, zijn
Dichte ogen zijn
Open.
Moe ruikt hij
Naar wanen, zijn boot
Zeilt windstil
Naar de morgen.
De nacht is zijn zee,
Hij waadt in ijskoud water:
Hij brandt.
Boeien zijn gekluisterde
Bakens, vuurtorens schroeien
Zijn nachtelijk gewaad. |
| |
|
9. Le Matin
De Nacht
Kantelt
Traag de dag in,
Een morgenkleed
Rolt zich heupwiegend
Wit over
Haar voeten
Uit.
Een vochtig
Dauwgordijn omhelst
Haar zee
Van borsten, entert
Zich een weg
Van bewegen
En zeemeermint
Onherroepelijk
Los.
In mijn omzwachteld
Lichaam
Meert zich
Een deinend schip
Aan. |
|
| |
|
| |
|
| |
|