|
Webbouwstuk - Op schattenjacht - Deel 5
OP SCHATTENJACHT IN RENNES-LE-CHATEAU - 5
Hoofdstuk 4
Ik ben zoekende oud geworden
Toen ik voor het eerst in de streek van Rennes-le-Château rondtoerde (met jonkvrouw Hélène), was ik tien jaar jonger en nog actief als kabinetsattaché van minister Luc Vanden Bossche. Ambitieus op het kabinet ben ik niet geweest: die periode was voor mij de ideale (en verhoopte) afsluiter van mijn onderwijscarrière. Ik kwam in de Languedoc terecht op suggestie van een van mijn collega’s op het kabinet, Gilbert Lambregt, nu directeur BLO in het Brugse.
Ik hou wel van de dorpjes en de kleine landwegeltjes er naartoe, van oude stenen en oude glorie. Ik klom naar Rennes om er het domein en de realisaties van pastoor Bérenger Saunière met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Ik moet toegeven dat ik aanvankelijk een beetje ontgoocheld was. De Magdala toren was een imponerend baken, dat wel, maar behalve die toren leek mij niets transcendent. Toen ik echter een boek in handen kreeg met de geschiedenis van de pastoor zag ik het weer zitten. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik herinner mij nog levendig dat er geen vijf man rondliep op de site. Dan Brown was nog niet uit.
De geschiedenis van die man intrigeerde mij. Ik kreeg overal jeuk. Mijn lichaam gedroeg zich onrustig. De zenuwen gierden door de keel. Ik bleef maar rondhangen op het domein. De kerk fascineerde mij en ik wilde alle symbolen begrijpen. Toch bleef ik met meer vragen dan antwoorden achter.
Mijn vrouwtje volgde mij trouw en in mijn tred maakte zij lucide opmerkingen over wat zij zag. We werden schattenjagers!
Ik was dan ook blij dat ik einde augustus met de Grootmeester, Morgane, Hélène, Joris, Peter Deforge en Georges de Courmayeur mee kon voor een kort bezoek aan Rennes-le-Château (ons main target waren echter de katharen).
We liepen alle (nieuwe) boekhandels af, op zoek naar literatuur over de pastoor en zijn onverklaarbare rijkdom. De inboorlingen van Rennes waren die keer beter georganiseerd, negeerden de toeristen niet langer, deden niet meer meewarig over hun zoektocht en enkelen inwoners hadden zich op de commercie gegooid om een “gewijde” stuiver of twee bij te verdienen.
Ik héb ontdekt (merk het accent). Veel dingetjes (bricoles), soms intrigerende, soms verrassende dingetjes, maar die steentjes waren niet voldoende om dieper te graven. Ik leek wel een goudzoeker met een grote zeef.
Ik vroeg mij daar ineens af, hoe mijn leven was verlopen. Een gewone vraag van een normale manspersoon. Tien jaar reeds was ik in de ban van Rennes, de Visigoten, de Merovingers, van schatten en spiritualiteit. Die geschiedenis had mij uitgeput, tien jaar had ik gezocht naar een valabel antwoord, velen hadden mij hun versie verteld of erover geschreven, maar niets voldeed mij, niets kon mij ervan overtuigen dat er meer in het spel was dan de frauduleuze verkoop van missen.
Ik heb geen spijt, maar ik keer niet meer terug. Ik voel mij een beetje triest. In mijn hoofd speelt het liedje: “A la queue leu leu!”
Derek van ’t Gulle Zand
|