Toen Arthur geboren was, vertrouwde Uther Pendragon zijn zoon toe aan de zorgen van tovenaar Merlijn. Deze bracht hem naar het kasteel van Sir Hector, waar hij zijn jeugd doorbracht. Zijn vrouw voedde de jonge prins en bracht hem groot met haar eigen kinderen. Doordat de afkomst van Arthur door velen werd betwist, duidde de koning hem nog niet als opvolger aan. Hij hoopte nog een tweede erfgenaam te verwekken bij wie er geen twijfel over de afkomst zou bestaan.
Twee jaar later stierf koning Uther Pendragon. Omdat de edelen niet wisten wie ze als opvolger moesten kiezen, vroegen ze Merlijn om raad. Ze beloofden dat ze zich aan zijn beslissing gingen houden. Merlijn leidde ze naar het kerkhof. Daar was op geheimzinnige wijze een grote steen verschenen. Boven op de steen stond een groot aambeeld waarin een stalen zwaard was gestoken. De tekst die in het gevest van het zwaard was gegraveerd, luidde dat hij die het zwaard eruit kon trekken koning mocht worden. Allen vonden dit een uitstekende oplossing. Om beurten deden zij hun uiterste best om het zwaard los te rukken. Niemand slaagde er echter in.
En zo kwam het dat er na heel wat jaren nog altijd een lege troon was. Op dat moment gingen Sir Hector met zijn zoon Sir Kay en zijn pleegzoon Arthur naar Londen. Daar aangekomen, ontdekten ze dat Kay zijn zwaard vergeten was. Arthur wilde per se een zwaard voor zijn broer hebben. Hij liep het kerkhof op waarna hij het zwaard uit het aambeeld trok.
Toen hij het zwaard aan Kay gaf, vroeg Sir Hector hem waar hij het gehaald had. "Het zat in het aambeeld op het kerkhof," antwoordde Arthur. "Ik had haast en trok het eruit."
Sir Hector kon dit nauwelijks geloven. Even later gingen ze, samen met de rest van de ridders, naar het kerkhof waar ze allen getuige waren hoe Arthur het zwaard terug in het aambeeld stak en het terug uithaalde. Meteen waren allen overtuigd dat hij koning moest worden.
Maar nauwelijks had Arthur de troon bestegen, of er was wantrouwen dat louter op jaloezie gebaseerd was. Enkele familieleden van de koning lieten hun jaloezie blijken, met name zijn vier neven Gaheris, Agravaine, Gareth en Gawain.
Toen Arthur zijn vijanden had verslagen, regeerde hij met de hulp van Merlijn op een verstandige manier over het land. Hij spande zich in om onrecht te herstellen en streefde naar orde en veiligheid. Doordat het land jaren aan een stuk zonder koning had gezeten, was het ten prooi gevallen aan wanorde, chaos en plunderingen.
Arthur was echter zijn toverzwaard kwijt. Hij wist niet hoe hij aan soortgelijk zwaard kon komen. Toen hij aan een meer opnieuw over dit probleem nadacht, zag hij een witte arm uit het water omhoogkomen. De hand omklemde een schitterend zwaard. Arthur staarde er betoverd naar totdat de Vrouwe van het Meer verscheen en hem vertelde dat hij het mocht gebruiken. Arthur was erg blij met haar aanbod. Hij holde het meer in en pakte het zwaard dat Excalibur werd genoemd. De Vrouwe vertelde hem dat hij niet gewond of gedood kon worden zolang hij de schede in bezit had.
Terug in zijn kasteel vernam hij dat koning Leodegraunce van Schotland werd bedreigd door zijn broer, koning Ryance van Ierland. Arthur koning Leodegraunce helpen. Met Excalibur doodde hij Ryance. Aan het hof van koning Leodegraunce werd hij verliefd op Guinevere, de mooie dochter van de koning. Zij stemde meteen toe in het huwelijk, overweldigd door Arthurs aanblik. Het huwelijk werd met veel pracht en praal voltrokken en gevierd. Als geschenk kreeg Arthur van Guinevere de Ronde Tafel. Toen reisde hij met zijn bruid naar Camelot (Winchester), waar hij de ridderorde van de Ronde Tafel stichtte. De ridders die daartoe behoorden, moesten hem trouw zweren.
Om de tafel werden de stoelen voor de ridders geplaatst. De twaalf zitjes (sommigen beweren dat het er honderden waren, maar dit is niet zeker) waren zeer gewild. In de zaal waar de Ronde Tafel stond, waren twaalf nissen aangebracht waarin twaalf grote standbeelden stonden van de ridders die Arthur had overwonnen. In de hand van elk standbeeld brandde een kaars. Merlijn voorspelde dat ze zouden branden tot de Heilige Graal verscheen.
Toen Arthur de zaal binnenschreed, zei hij glimlachend tegen Merlijn: “De zaal is klaar, de tafel is er en de stoelen staan er omheen. Vertel me nu welke ridders het waard zijn om aan deze tafel plaats te nemen." Merlijn begon de namen te noemen tot alle stoelen op twee na bezet waren.
Er werd een groot banket gehouden met het selecte gezelschap. Toen ze na het banket opstonden, zagen ze dat hun naam met gouden letters in de zitting van de stoel geschreven stond. Op een van de lege stoelen was geschreven: “gevaarlijke zetel” De ridders vroegen verbaasd aan Merlijn wat dat betekende. Merlijn vertelde hun dat die zetel was gereserveerd voor een ridder die volkomen zuiver was. Als er iemand met een zondig geweten op die stoel plaatsnam, zou de aarde splijten en hem verzwelgen.
Bron: naar link
|